EIGENHEID IN NABIJHEID


Sinds een aantal jaren woon ik in de stad, in een naoorlogse galerijflat zoals er vele grootschalige, seriematige projecten gebouwd zijn in Nederland. Van bovenaf ontworpen en in eerste plaats bedacht om zo veel mogelijk mensen te huisvesten. Dit is waar mijn interesse naar ‘goede’ woningen en met name het wonen binnen de sociale woningbouw vorm gekregen heeft. Sociale woningbouw wordt helaas, nog altijd gedomineerd door harde gegevens als aantallen, vierkante meters en functie. De bewoners zijn hierbinnen niets meer dan een getal. Het gebouw dwingt zo de bewoner zijn leefwijze aan te passen. Hierdoor ontstaat er een breuk tussen de eigenheid van het individu en zijn woning.

Als ontwerper ben jij degene die vormgeeft, die de verantwoordelijkheid heeft voor het woongenot van de komende generaties. Ik ben dan ook in de veronderstelling dat je het ontwerpen van een woning niet kan zien als een privéaangelegenheid of een uiting van je eigen visie op wonen. Een huis wordt pas een thuis door de aanwezigheid van de bewoner. Dat is slechts mogelijk indien de bewoner zich kan identificeren met zijn omgeving, het in bezit kan nemen en kan veranderen wanneer men dat wil. Dit is binnen de huidige vaste en statische vorm van sociale woningbouw niet of te weinig mogelijk.


Dit onderzoek is gericht op het vervagen van de afstand tussen bewoner en zijn omgeving. Hoe en of psychologische concepten zoals gevoel, sfeer, authenticiteit en veiligheid, invloed hebben op het creëren van deze afstand tussen bewoner en zijn omgeving. Hierin ligt dan ook het startpunt van het tweede deel van mijn onderzoek. Want er zit meer achter deze psychologische begrippen. Het heeft net zo veel te maken met hoe de mens zich in zijn omgeving voelt en gedraagt als dat het gaat om het betrekken van diezelfde mens in het ontwerpproces. ‘Nabijheid’ in de vorm van participatie geeft je inzicht in behoeften van gebruikers. Zij weten als geen ander wat bijvoorbeeld frustraties opwekt. Want gebruikers zijn de experts van het alledaags gebruik.

Doormiddel van participatie ben ik opzoek gegaan naar hoe de interactie tussen ontwerper en bewoner hieraan kan bijdragen. Want in onze huidige democratische samenlevingen, die meer en meer geëmancipeerd raakt, wordt deelname steeds relevanter voor het ontwerpproces. Door als ontwerper te participeren met bewoners ontstaat er betrokkenheid, wederzijds begrip en sociale cohesie, omdat je met elkaar in contact komt, elkaar aanhoort en daardoor elkaar leert begrijpen.


Dit kan in elke vorm bijdragen aan een verbetering van de woonomgeving doordat de bewoner betrokken wordt bij het ontwerpen van zijn ‘eigenheid’. Het ontwerpen van een woning beschouw ik op grondslag van Martin Heideggers theorie beschreven in over Denken, Bouwen, Wonen, als het ontwerpen van de manier waarop mensen op deze aarde zijn. Hij voert de betekenis van het woord bouwen terug tot zijn etymologische wortel, het Hoogduitse woord ‘buan’, dat tegelijk ook ‘wonen’ beteken. Maar ook ‘ik ben’ en ‘jij bent’ zijn terug te voeren op diezelfde stamwortel. Hiermee geeft hij het wonen vanuit de oorspronkelijke betekenis tevens een existentialistische dimensie, mensen zijn doordat zij wonen.

Om de veelzijdigheid van bewoners binnen de sociale woningbouw te vertegenwoordigen heb ik vier bewonersgroepen gekozen waarmee ik in de vorm van vijf werkateliers in gesprek ben gegaan over hoe bewoners bijvoorbeeld graag leven, werken of verzorgd worden. Dit gaf de mij mogelijkheid om inzicht te krijgen in wat zij belangrijk vinden. Vervolgens heb ik dit geanalyseerd en samengebracht in een ontwerp dat rekening houd met zowel deze gebruikersbehoeften als de generaliteit die noodzakelijk geacht wordt binnen de sociale woningbouw.

Deze inzichten in het gebruik en de beleving van de ruimte zou juist, om de boven genoemde reden, als basis van kennis voor het ontwerpproces moeten dienen. Voor mij als ontwerper betekent dat niet alleen dat ik vanuit een bottom-up benadering werk. Maar vooral ook de kaders van mijn vakgebied moet doorkruisen en mijn perspectief moet verbreden. Dit onderzoek heb ik dan ook gebruikt om de huidige manier waarop sociale woningbouwprojecten worden gebouwd te bevragen.